Kees was de grote sportheld van de plaatselijke atletiekvereniging.
En dat liet hij iedereen graag weten.
Bij elke borrel in de kantine vertelde hij hoe snel hij was, hoe sterk hij was en hoe niemand in de club hem ooit kon verslaan.
De leden hadden zijn verhalen inmiddels zó vaak gehoord dat ze ze woord voor woord konden meepraten.
Op een avond begon Kees weer.
“Er is hier niemand die fysiek ook maar in de buurt van mij komt,” zei hij trots.
Toen stond er een nieuw lid op.
“Hé Kees,” zei hij. “Ik wed om honderd euro dat ik iets in een kruiwagen van de ene kant van het voetbalveld naar de andere kant kan rijden, en dat jij het daarna niet terug kunt rijden.”
Kees keek hem aan. De man, Arie, was niet groot, niet breed en zag er totaal niet sportief uit.
Hij dacht aan stenen, zand, tegels of zakken cement.
“Deal,” zei Kees meteen.
Iedereen liep nieuwsgierig mee naar buiten. Iemand haalde een kruiwagen bij de terreinbeheerder en op het veld werd een startlijn getrokken.
Arie pakte de handvatten van de kruiwagen, keek Kees glimlachend aan en zei:
“Mooi. Stap maar in.”
Check ook: