Op een doordeweekse ochtend fietst een Nederlands jongetje met twee grote jute zakken op z’n bagagedrager richting België.
Bij de grens wordt hij aangehouden door een douanier.
De douanier vraagt:
“Wat heb jij daar in die zakken?”
Het jongetje zegt:
“Zand.”
De douanier maakt de zakken open, voelt erin, kijkt nog eens goed, maar inderdaad: alleen maar zand. Dus hij laat het jongetje door.
Later die middag komt het jongetje weer terug naar Nederland. Zonder zakken.
De volgende dag gebeurt precies hetzelfde.
Weer fietst hij met twee zakken zand naar België.
Weer controleert de douanier alles.
Weer vindt hij niets.
En dat gaat wekenlang zo door.
Totdat de douanier het jongetje op een dag toevallig tegenkomt in een café. Hij stapt op hem af en zegt:
“Luister, ik weet zeker dat jij al die tijd iets smokkelde. Ik kan je nu niks meer maken, dus zeg eens eerlijk… wat was het?”
Het jongetje grijnst en zegt:
“Fietsen.”
Check ook: