Twee vrienden, Henk en Kees, zitten al de hele avond in het café. Tegen middernacht besluiten ze dat het mooi is geweest en stappen ze in de auto.
Ze nemen een smalle landweg tussen de weilanden. Het is pikkedonker en er hangt een dikke mist.
Plotseling kijkt Kees in zijn buitenspiegel.
‘Henk, volgens mij loopt er iemand achter ons aan.’
Henk lacht. ‘Joh, we rijden vijftig. Niemand kan ons bijhouden.’
Maar Kees blijft kijken.
‘Ik meen het! Een oude man met een wandelstok!’
Henk geeft wat extra gas.
‘Zo, nu zijn we van hem af.’
Een paar seconden later kijkt Kees opnieuw.
‘Hij is er nog steeds!’
Henk trapt het gaspedaal verder in. De snelheidsmeter klimt naar tachtig.
‘En nu?’
‘Hij loopt er nog!’
Henk begint zenuwachtig te worden en rijdt inmiddels honderd kilometer per uur.
‘Kijk dan! Hij zit nog steeds achter ons!’
Kees draait zich om en wordt lijkbleek.
‘Henk… hij komt dichterbij!’
Henk raakt volledig in paniek en geeft alles wat de auto heeft.
Op dat moment wordt er op het raam geklopt.
Een oude man met een wandelstok kijkt naar binnen.
Henk draait trillend het raampje open.
‘Hoe… hoe kunt u ons in hemelsnaam bijhouden?’
De oude man kijkt verbaasd naar de twee mannen.
‘Bijhouden? Jongens, jullie zitten al tien minuten vast in de modder. Ik wilde alleen vragen of ik jullie eruit moest trekken!’
Check ook: