Op een donkere avond in 1998 rijdt een vrachtwagenchauffeur over een verlaten landweg ergens op de Veluwe. Plots begint zijn motor te sputteren. Met een laatste kuch begeeft de vrachtwagen het.
De chauffeur probeert van alles, maar krijgt de motor niet meer aan de praat. Omdat mobiele telefoons in die tijd nog lang niet zo vanzelfsprekend zijn, besluit hij te voet hulp te zoeken.
Na een halfuur wandelen ziet hij in de verte een oude boerderij. Er brandt nog licht in de keuken.
Hij klopt op de deur en een oude boer doet open.
‘Goedenavond. Mijn vrachtwagen staat een paar kilometer verderop met pech. Zou ik misschien ergens kunnen overnachten?’
De boer krabt aan zijn kin.
‘Nou, in huis heb ik geen plek meer, maar in de schuur staat een prima bed. Daar kun je vannacht wel slapen.’
‘Geweldig! Heel erg bedankt!’
De boer brengt hem naar de schuur. In een hoek staat een oud veldbed met een paar dekens. Maar voordat de boer vertrekt, wijst hij naar een groot houten luik midden in de vloer.
‘Luister goed, jongen. Je mag hier slapen, maar er is één belangrijke regel: dat luik blijft dicht. Wat er ook gebeurt, je mag het onder geen beding openen. Begrepen?’
‘Natuurlijk’, antwoordt de chauffeur. ‘Ik blijf er netjes vanaf.’
De boer knikt en vertrekt.
De chauffeur gaat liggen, trekt de deken over zich heen en probeert te slapen.
Maar het lukt niet.
Hij blijft maar aan dat luik denken.
Wat zou eronder zitten? Een oude wijnkelder? Een geheime opslagplaats? Misschien heeft die boer wel een verborgen schat!
Na twee uur woelen houdt hij het niet meer uit.
‘Ach, eventjes kijken kan toch geen kwaad?’
Hij staat op, loopt naar het luik en trekt het voorzichtig open.
Daaronder ontdekt hij een lange, donkere stenen trap.
Nieuwsgierig pakt hij zijn zaklamp en daalt af.
Beneden komt hij bij een zware houten deur. Hij opent hem en ontdekt nóg een trap. Onderaan staat opnieuw een deur.
Ook die opent hij.
Weer een trap.
Weer een deur.
De chauffeur begint zich inmiddels behoorlijk af te vragen wat voor geheimzinnige boerderij dit eigenlijk is.
Na een eindeloze afdaling bereikt hij uiteindelijk een enorme stalen deur.
Hij legt zijn oor ertegenaan.
Niets.
Voorzichtig draait hij aan het zware handvat en trekt de deur open.
BWWAAAAAAHHHHH!!!
Voor hem staat een GIGANTISCHE GORILLA!
Het beest is minstens twee meter hoog, heeft armen zo dik als boomstammen en slaat woest op zijn borst.
De chauffeur gilt, draait zich om en rent voor zijn leven de trap op.
Achter hem hoort hij een oorverdovend gebrul.
KRAAAK!
De gorilla ramt dwars door de stalen deur!
De chauffeur vliegt de volgende trap op, smijt de houten deur achter zich dicht en rent verder.
KABOEM!
Ook die deur wordt compleet aan splinters geslagen.
De chauffeur rent sneller dan hij ooit heeft gerend. Zijn hart bonkt in zijn keel. Hij bereikt de laatste trap, klimt omhoog, springt door het luik en stormt de schuur uit.
Achter hem klinkt opnieuw een verschrikkelijke klap.
De gorilla is los!
De chauffeur sprint het erf af, dwars door een weiland en springt over een sloot.
Hij hoort het beest vlak achter zich.
Hij rent een maïsveld in, struikelt bijna over een boomwortel en weet zich nog net overeind te houden.
Maar de gorilla blijft hem achtervolgen.
Vijf minuten gaan voorbij.
Tien minuten.
De chauffeur is volledig uitgeput. Zijn benen voelen als lood en hij krijgt nauwelijks nog lucht.
Dan hoort hij zware voetstappen vlak achter zich.
Hij kijkt over zijn schouder.
De gorilla is nog maar een paar meter van hem verwijderd!
‘Dit is het’, denkt de chauffeur. ‘Ik ga dood.’
Hij probeert nog één keer te versnellen, maar zijn benen weigeren.
Op dat moment maakt de gorilla een enorme sprong.
BOEM!
Het beest landt boven op de chauffeur en drukt hem tegen de grond.
De man knijpt zijn ogen dicht en wacht op het ergste.
Dan voelt hij een enorme harige vinger tegen zijn schouder.
De gorilla grijnst en zegt:
‘Tikkie! Jij bent ’m!’
Check ook: