In groep 5 besluit de juf een raadspelletje te doen.
“Ik omschrijf een dier,” zegt ze, “en jullie raden welk dier ik bedoel.”
Ze begint:
“Het loopt op de boerderij, heeft vier poten en geeft melk.”
Jantje steekt meteen zijn vinger op.
“Een koe!”
“Goed geraden,” zegt de juf. “Maar ik bedoelde eigenlijk een geit.”
Even later probeert ze het opnieuw.
“Het loopt op de boerderij, heeft veren en legt eieren.”
Jantje antwoordt direct:
“Een kip!”
“Ook goed,” zegt de juf. “Maar ik bedoelde eigenlijk een eend.”
Jantje rolt met zijn ogen.
“Nou juf,” zegt hij, “nu heb ik ook een raadsel.”
De juf knikt.
“Kom maar op.”
Jantje zegt:
“Je stopt het hard in je mond… en het komt er zacht en vochtig weer uit.”
De juf kijkt geschrokken en krijgt een rood hoofd.
“Jantje! Dat is toch zeker niet…”
Jantje onderbreekt haar lachend.
“Goed geraden, juf… maar ik bedoelde kauwgom!”
Check ook:
