Op een frisse zaterdagochtend zijn Erik en zijn buurman Henk aan het jagen op het land van een boer uit de buurt. Terwijl ze door het hoge gras lopen, slaan ze met stokken op de grond om fazanten op te jagen.
Lange tijd gebeurt er niets.
Tot er ineens een enorme fazant opvliegt.
Pang!
Henk schiet raak en de fazant valt een paar meter verderop neer.
Dolblij lopen ze erheen, maar precies op dat moment komt de boer aanlopen. Hij heeft alles met zijn verrekijker gevolgd.
“Die fazant is van mij,” zegt de boer.
“Hoezo?” protesteert Henk. “Ik heb hem toch geschoten?”
Er ontstaat een flinke discussie. De stemmen worden steeds luider, maar geen van beiden wil toegeven.
Na een tijdje zegt de boer:
“Ik heb een eerlijk voorstel.”
Henk kijkt nieuwsgierig.
“We geven elkaar allebei een trap tussen de benen. Degene die het hardst jankt, krijgt de fazant niet.”
Na even twijfelen gaat Henk akkoord.
“Ik begin wel,” zegt de boer.
Hij neemt een flinke aanloop op zijn zware houten klompen en haalt verwoestend uit.
Henk zakt direct door zijn knieën en ligt minutenlang kreunend op de grond.
Na een kwartier krabbelt hij overeind, veegt de tranen uit zijn ogen en zegt:
“Zo… nu ben ik.”
De boer haalt zijn schouders op, draait zich om en zegt:
“Laat maar… houd die fazant maar.”
Check ook:
