Een Nederlandse ondernemer moet voor een paar dagen naar Duitsland voor zaken. Voor hij vertrekt, zegt hij tegen zijn hulp Henk:
“Pas goed op het huis. En als er iets gebeurt, bel me dan meteen.”
Na een paar dagen begint de man zich toch wat zorgen te maken en belt hij zelf op.
“Met mij, hoe gaat het thuis?”
“Niet best, meneer.”
“Niet best? Wat is er aan de hand?”
“De steel van de bezem is kapot.”
De man zucht diep.
“Man, je laat me schrikken. Ik dacht dat er echt iets ernstigs was. Hoe is dat dan gebeurd?”
“Tijdens het opruimen van de resten van uw hond.”
“De resten van mijn hond?! Hoe bedoel je?”
“Hij is in het lege zwembad gesprongen.”
“Maar hoezo was dat zwembad leeg? Dat was toch vorige week nog helemaal gevuld?”
“Ja, dat water hebben de brandweermannen gebruikt.”
“Brandweermannen? Waarvoor dan?!”
“Om de brand in uw huis te blussen.”
“Mijn huis? In brand? Hoe dan?”
“Tijdens de herdenkingsavond voor uw moeder is er een kaars omgevallen.”
“Herdenkingsavond? Mijn moeder is toch helemaal niet dood?”
“Nou, na die ruzie vannacht kreeg ze het benauwd.”
“Welke ruzie?”
“Toen ze uw vrouw betrapte met uw beste vriend.”
“Wát?! Mijn vrouw met mijn beste vriend? Is er dan echt niks positiefs te melden?”
“Jawel hoor, meneer.”
“Nou, zeg op dan!”
“Die uitslag van uw gezondheidstest vorige week…”
“Ja?”
“Daar was eindelijk iets positiefs aan.”
Check ook:

