Een oudere man uit Brabant gaat naar de pastoor om te biechten.
De pastoor schuift het luikje open en vraagt wat hem dwarszit.
De man zegt:
“Vader, tijdens de Tweede Wereldoorlog werd er op een avond op mijn deur geklopt. Het was een bloedmooie vrouw die vroeg of ik haar wilde verstoppen voor de Duitsers. Dus ik heb haar op zolder verborgen.”
De pastoor knikt en zegt:
“Mijn zoon, dat is juist iets goeds. Daar hoef je geen vergiffenis voor te vragen.”
De man antwoordt:
“Dat is niet het hele verhaal, vader. Ze bedankte me elke dag… op een heel persoonlijke manier. En in het weekend zelfs twee keer per dag.”
De pastoor blijft even stil en zegt dan:
“Jullie liepen in die tijd allebei groot risico. Wat er is gebeurd, is misschien niet netjes, maar wel menselijk in zulke omstandigheden. Als je er oprecht spijt van hebt, dan schenkt de Heer je vergeving.”
De man slaakt een zucht van opluchting.
“Dank u, vader, dat lucht op. Maar ik heb nog één vraag…”
De pastoor vraagt:
“Welke vraag dan, mijn zoon?”
De man zegt:
“Zal ik haar nu maar vertellen dat de oorlog al lang voorbij is?”
Check ook:

