Een jonge taxichauffeur haalt een non op bij een klooster in Utrecht. Ze moet naar Amsterdam.
Onderweg merkt de non dat de chauffeur steeds via zijn achteruitkijkspiegel naar haar kijkt.
‘Mijn zoon, waarom kijk je toch steeds naar me?’ vraagt ze.
De chauffeur bloost. ‘Zuster, ik wil u iets vertellen, maar ik ben bang dat u boos wordt.’
De non glimlacht. ‘Ach jongen, ik heb in mijn leven al zoveel meegemaakt. Je kunt me niet zomaar choqueren. Vertel maar.’
De chauffeur haalt diep adem. ‘Nou… ik droom er al jaren van om een keer met een non te zoenen.’
De non denkt even na.
‘Dat zou misschien kunnen,’ zegt ze. ‘Maar dan moet je wel aan twee voorwaarden voldoen: je moet vrijgezel zijn én katholiek.’
De chauffeur begint meteen te stralen.
‘Nou, dat komt goed uit! Ik ben vrijgezel én katholiek!’
‘Prima,’ zegt de non. ‘Sla dan maar even dat stille landweggetje in.’
De chauffeur zet de taxi aan de kant en de twee beginnen hartstochtelijk te zoenen.
Even later rijden ze verder richting Amsterdam.
Plotseling begint de chauffeur te huilen.
‘Wat is er toch, mijn zoon?’ vraagt de non bezorgd.
‘Vergeef me, zuster! Ik heb gelogen! Ik ben getrouwd en ik ben helemaal niet katholiek!’
De non legt geruststellend een hand op zijn schouder.
‘Ach jongen, maak je niet druk. Ik heet eigenlijk Johan, ik ben kapper in Rotterdam en ik ga naar het carnaval in Amsterdam!’
Check ook:
